Flamenco

Herkomst: Spanje
Dans: Kika danst de bulerías
Duet: Kika danst met Indiase kathak danser Abhimanuy Lal een duet waarin overeenkomsten en verschillen tussen deze twee stijlen te zien zijn.
Muzikale begeleiding van Luna Alta Mar en het ensemble van Droeh Nankoe.

Flamenco heeft haar oorsprong in Andalusië in het zuiden van Spanje. Over de betekenis van het woord doen verschillende verhalen de ronde. Sommigen zeggen dat het afgeleid is van het Arabische ‘felah mengu’, dat ‘verjaagde boer’ betekent. Anderen zien een verwijzing naar Vlaamse oorsprong, omdat flamenco in het Spaans ‘Vlaming’ betekent, en weer anderen leggen de links met het werkwoord ‘flamear’, dat staat voor ‘vlammen’.
Typerend voor flamenco is het samenspel van zang, gitaar en dans, dat in de geschiedenis van flamenco in deze volgorde ten tonele verscheen. Allereerst werd zang begeleid door het kloppen met de knokkels op bijvoorbeeld een tafel of het klappen in de handen (palmas), daarna voegde de gitaar (toque) zich erbij en de jongste ontwikkeling, vanaf het midden van de negentiende eeuw, is de dans (baile), die momenteel de meeste beoefenaars kent.

Flamenco is een samengaan van zo ongeveer alle culturen die Spanje rijk is: islamitisch Moorse, Sefardisch joodse, en ook de Andalusische folklore heeft zich in de stijl gemengd. De sterkste invloed op de flamenco hebben de Roma (zigeuners) gehad, die de ‘trek van de zigeuners’ rond het jaar 1000 begonnen vanuit de Indiase provincie Rajasthan om aan het Perzische hof te gaan werken. Zij zwermden vervolgens in twee stromen over de aarde, via Egypte naar Noord-Afrika en via Oost-Europa naar Spanje, waar zij halverwege de vijftiende eeuw aankwamen. Naar men vermoedt staan de Indiase dansstijl kathak en flamenco onder dezelfde invloed van de zigeuners.

Het exacte beginpunt van flamenco is niet vast te stellen. Er zijn enkele beschrijvingen van populaire volksliedjes die tot de flamenco gerekend kunnen worden in de 17e en 18e eeuw. De Gouden Eeuw wordt gesitueerd in de tijd van de café cantantes, grote cafés waar zang, muziek en dans te zien was, vanaf 1860 tot de jaren ’20. Daarna trad een periode van decadentie in met spektakelstukken in de theaters en flamenco veranderde onder invloed van commercie. In de jaren ’50 zorgde een bijzondere danseres voor hevige beroering: Carmen Amaya, een zigeunerin uit Barcelona die met haar hele familie dansend en musicerend over de wereld trok. Zij danste in broek en was beroemd om haar vurige voetenwerk, iets wat tot dan toe bijna niet door vrouwen werd gedaan. Begin jaren ’80 was een andere Carmen, die van de opera van Bizet, de aanleiding voor hernieuwde belangstelling. Een goede plek om nu in Spanje flamenco te zien is een tablao, een soort café cantante. Maar ook in bars, theaters en peña’s, speciale flamencoverenigingen, is de kans om iets te proeven van het typische flamencogevoel, duende, groot. Met duende wordt een magisch moment in het optreden omschreven, dat voelbaar is voor zowel artiesten als publiek.

Flamenco kent naar schatting een vijftigtal vormen, waarvan de meesten zowel gezongen, gespeeld als gedanst worden. Elke vorm, palo, kent een eigen ritme, melodie, dans en karakter. De teksten komen uit oude volkspoëzie of van dichters en gaan over leven, liefde en dood. Zo staan in de veel voorkomende palos soleares en siguiryas eenzaamheid en tragiek centraal. De bulerías heeft een vrolijk karakter met veel grapjes.
Die emotie wordt ook in de dans uitgedrukt. Vaste elementen in een traditionele flamencodans zijn een escobilla, een stuk voetenwerk, een silencio, een rustig deel met veel armenwerk, en llamadas, korte stukjes van een of twee maten die dienen om een verandering aan te geven. Een flamencodans op een podium kent strenge choreografische regels, waarbinnen af en toe geïmproviseerd wordt. Het improvisatiegehalte is het hoogst op informele feestjes, juerga’s, waar vaak rumba’s, tangos en bulerías gedanst worden.
Bulerías, en dan vooral die in Jerez, worden als zeer gitano gezien. Gitano’s beschouwen flamenco als hun erfgoed en in sommige zigeunerkringen wordt beweerd dat niet-zigeuners nooit flamenco kunnen leren. Maar of je het nu van huis uit meekrijgt, leert door tot in de nachtelijke uren met locals te gaan stappen of een van de stedelijke scholen bezoekt, iedereen is het erover eens is dat flamenco een levensstijl is die aanspreekt. De explosieve groei in de laatste decennia van scholen van Madrid en Barcelona tot in West-Europa, de Verenigde Staten en Japan, toont een bloei die een nieuwe Gouden Eeuw genoemd zou kunnen worden. Voor de ontwikkelingen in Nederland van dit moment zijn danseressen Harriët IJssel de Schepper (Kika), Nuria Manglano en Mascha Meijman bepalend. Zij houden zich in Spanje op de hoogte van de trends, geven les en maken voorstellingen.