Capoeira

Herkomst: Brazilië
Dans: Vladimir Frama en zijn Batuque Capoeira Groep

Van de geschiedenis van capoeira vóór 1850 is niet veel bekend. Aangenomen wordt dat deze een mengvorm is van Afrikaanse en Braziliaanse tradities en dat hij ontstaan is op de plantages. Anders dan in Noord-Amerika mochten de Braziliaanse slaven hun Afrikaanse muziek en rituelen uiten. Zo ontstonden de Afro-Braziliaanse religies, muziek, dansen en de vechtkunst capoeira als vorm van verzet. Eind negentiende eeuw was capoeira een vechtkunst, waarmee mensen overleefden in de straten van de grote steden. Er ontstonden ware bendes en capoeira werd verboden, tot de president in 1936 de nationalistische waarde van capoeira inzag en het legaliseerde als nationale sport. Tegenwoordig is Capoeira ontdaan van de rauwe kanten en is een spel. De beoefenaars, mannen en vrouwen van alle leeftijden, raken elkaar nauwelijks. Zij leren alle elementen van het spel: acrobatiek, dans, muziek, zang en gevecht. In een kring, de roda, spelen steeds twee beoefenaars een dialoog in beweging, terwijl de rest van de groep hen opzweept met muziek en zang. Wanneer een lid van de groep het gevecht wil overnemen, hurkt hij bij de berimbau-speler. Een van de twee vechtende capoeiristas staat zijn plek af en neemt plaats in de kring. De strijd gaat niet om winnen of verliezen. Wel om reageren op de medespeler en de muziek, en om het tonen van geestelijke weerbaarheid en tactiek. Het is de kunst de medespeler door schijnbewegingen op het verkeerde been te zetten. Er wordt gebruik gemaakt van trappen, beenvegen, kopstoten en schaarbewegingen. Het is de bedoeling dat de tegenpartij door middel van laag gebukte, anticiperende bewegingen de aanval ontwijkt in plaats van blokkeert. Capoeira vraagt een goede conditie, kracht en soepelheid. De basisstap is de ginga, een zachte heen en weer gaande pas van waaruit alle mogelijke bewegingen voortvloeien. De acrobatiek dient vooral om te laten zien hoeveel lichaamsbeheersing de capoeirista heeft.
Er zijn twee stijlen in capoeira: de traditionele, lage acrobatische angola-stijl, en een jongere snelle vechtstijl, de regional. Capoeira regional is door Mestre Bimba (1900-1974) ontwikkeld. Hij combineerde de technieken van de angola met de technieken van jiujitsu, boksen en Grieks-Romeins worstelen.

In capoeira bepaalt de muziek het tempo en het soort spel dat gespeeld wordt. Het belangrijkste muziekinstrument is de berimbau, een kleine kalebas onder aan een stok waaroverheen een snaar is gespannen. De oorsprong van dit instrument ligt in Afrika en wordt nu nog gebruikt op de eilanden in de Indische oceaan en in Zuid-Afrika. Op de snaar wordt geslagen, waardoor het eerder een percussie-instrument is dan een melodie-instrument. De toonhoogte wordt beïnvloed door een muntje of steentje tegen de snaar te drukken. De overige instrumenten zijn de trommel atabaque, de tamboerijn pandeiro en de agogo (koebel). De liedjes die gezongen worden zijn soms een vraag-en-antwoordspel tussen een voorzanger en een koor (corrido), soms een ter plekke geïmproviseerde tekst zoals de ladainha of de chula. De tekst kan iemand uitdagen om te spelen.
In capoeira bestaan verschillende ritmes. De angola-stijl kent een gelijkmatig ritme, de regional maakt veel gebruik van de São Bento Grande. De Santa Maria of Idalina wordt gespeeld wanneer de spelers gebruik maken van een scheermes tussen de tenen of in de hand. Er is zelfs een speciaal waarschuwingsritme als er gevaar dreigt: de cavalaria. Tijdens de slaventijd werd het gespeeld wanneer de plantagehouders kwamen. Toen capoeira tijdens de ondergrondse periode gespeeld werd op straat, werd het ook gebruikt als waarschuwing dat de politie te paard er aan kwam.

Tegenwoordig kan iedereen in Brazilië er les in krijgen, in sportscholen, op universiteiten en in buurtcentra. Vooral in de arme buitenwijken trekken jongeren zich aan capoeira op. Het is de tweede nationale sport na voetbal. Ook in Europa won het spel met de komst van de eerste mestres, zoals Nestor Capoeira in de jaren ’70, aan populariteit. Deze pionier was een van de leiders van de beroemde groep Senzala. Hij komt uit Rio de Janeiro en schreef vier boeken over capoeira.


Vladimir Frama werd in Fortaleza geboren in 1968. Op twaalfjarige leeftijd startte hij met Capoeira bij Mestre Eteraldu van Grupo Zumbi. Zumbi was de koning van een vrije slavenstaat, die zich bijna honderd jaar tegen de Portugezen wist te verzetten. Deze groep, opgericht door Mestre Eteraldu was de eerste capoeiragroep in Fortaleza, waar Vladimir na zeven jaar zelf les begon te geven. In 1995 kwam hij aan in Nederland, en begon met les geven in Den Haag.