Kathak

Herkomst: India
Dans: Abhimanyu Lal danst kathak, begeleid door het ensemble van Droeh Nankoe.
Voor een overeenkomst van stijlen bekijk het duet van Abhimanyu Lal en Kika onder Flamenco.
Muzikale begeleiding van Luna Alta Mar en het ensemble van Droeh Nankoe.

De geschiedenis van kathak is in grote mate bepaald door sociale, religieuze en politieke ontwikkelingen. Haar oorsprong gaat terug tot 2000 jaar v. Chr., toen de grote godenverhalen Mahabharata en Ramayana werden opgesteld. Het woord ‘kathak’ komt van ‘katha’, dat ‘verhaal’ betekent. Kathakars waren rondtrekkende verhalenvertellers, die de grote heldendichten en mythen brachten in een samenhangende combinatie van poëzie, muziek en dans. In de 12e eeuw was bhakti, soefipoëzie, een grote inspiratiebron en werden poëzie en dans vaak gelijktijdig opgevoerd, getuige de aanwezigheid van bols, klanken die bij kathakvoetenwerk horen, in gedichten uit die tijd.

Toen er nieuwe machthebbers kwamen, trad de grootste verandering in kathak op. Onder de Mogulheersers van het 16e eeuwse India was het verboden afbeeldingen van levende wezens te maken. Waar kathak goden en godinnen in menselijke vorm portretteerde, werd het nu een meer abstracte dansvorm die aan de islamitische hoven gedanst kon worden. In eerste instantie haalden moslimheersers voor hun vermaak dansers en muzikanten uit Perzië en Centraal-Azië. De hindoedansers en muzikanten die aan het hof optraden, werden beïnvloed door de nieuwe stijlen. Gelukkig cultiveerden de Moguls de Indiase kunsten. De bekendste van hen, Akbar, was met een Rajput-prinses getrouwd en plaatste dansers en muzikanten onder zijn bescherming. Kathak beleefde een gouden eeuw. In deze tijd ontstond ook het typerende kostuum, bestaande uit een strak lijfje en een wijde cirkelrok.
Kathak is van oorsprong een solodans die op livemuziek wordt uitgevoerd. Het accent in de dans ligt op nritta, abstracte dansbewegingen. Aan de Mogulhoven werden danscompetities georganiseerd en daarom werd het voor een danser belangrijk om uit te blinken in virtuoos voetenwerk, tatkar, en zoveel mogelijk snelle draaien te kunnen maken. Veel minder dan de bekendste Indiase dansstijl bharata natyam kent kathak nritya, het uitbeelden van een verhaal met mudra’s, handgebaren. De armen en handen maken vloeiende en elegante bewegingen. De danser draagt ghunghrus, koperen bellen die aan een koord om de enkel worden gewikkeld. Zij klinken op verschillende manieren, al naar gelang of de hele voet neergezet wordt, de bal, hak of zijkant, of dat de tenen lichtjes over de grond schuiven. Bij het voetenwerk staat de danser rechtop, met de handen voor de borst over elkaar gevouwen.
Kathak wordt begeleid door melodie-instrumenten als sarangi, sitar, fluit of viool, en soms door zang, maar de percussie-instrumenten zijn het belangrijkst. Oorspronkelijk was dat de pakhawaj, een lange drum die aan beide zijden wordt bespeeld; tegenwoordig is het steeds meer de tabla, twee drums die verschillend in grootte en klank zijn. Een bijzonder element in een voorstelling is de jugalbandi, een spel met enige improvisatie tussen percussionist en danser. Het is de ultieme kick voor uitvoerenden en publiek, wanneeer na een serie ingewikkelde variaties danser en percussionist precies tegelijk uitkomen op de sum, de eerste tel van de nieuwe cyclus.

Met de achteruitgang van het Mogulrijk verdween de interesse van heersers in verfijnde kunsten en daarmee werd kathak decadent, en de uitvoerenden dames van lichte zeden. In Europese geschriften worden zij ‘nautch’ genoemd, naar het Indiase ‘naach’ dat ‘dans’ betekent. Kathak in zijn authentieke vorm overleefde in de hoge kasten, waar de meisjes in de schone kunsten werden opgeleid om een betere huwelijkspartner te vinden. Hun voorstellingen waren exclusief voor de familie, tot danseres Menaka dit doorbrak. Zij richtte in 1938 een dansschool op. Zij was bevriend met Anna Pavlova en maakte enkele balletten met klassieke muziek en religieuze verhalen. Tegenwoordig zijn er drie belangrijk centra, genoemd naar de plaatsen waar zij tot bloei kwamen, Jaipur, Benares en Lucknow.
Belangrijk voor de ontwikkeling van kathak is Pandit Birju Maharaj (1938). Hij kreeg al jong les van zijn ooms en zijn vader in de Lucknow-stijl. Zijn choreografieën voor grootschalige dansdrama’s betekenden nieuwe ontwikkelingen in de kathak. Hij was jarenlang hoofd van de Kathak Kendra in Delhi en werd opgevolgd door Guru Greetanjali Lal, de lerares van Abhimanyu Lal. Nadat Abhimanyu Lal in 1999 zijn opleiding afrondde is hij een veelgevraagd danser, niet alleen in India, maar over de gehele wereld.